Het is mooi weer in de maand mei van het jaar 2005.
Zoals gewoonlijk zitten Herman en David te filosoferen op het muurtje bij het zwembad.
“Mensen die domme vragen stellen zijn a-priori dom. Maar het feit dat ze vragen stellen bewijst hun wil om zich te ontwikkelen,” zegt David.
Herman moet hier even over nadenken en antwoordt dan: “Ja maar er is verschil tussen domme en onlogische vragen. ‘Bestaat God’ is een onlogische vraag, want de veronderstelling dat een God zich voor ons zou interesseren is een waandenkbeeld.”
“Mensen met waandenkbeelden zijn niet gevaarlijk. Laat ze maar gewoon op straat loslopen,” zegt David.
Herman: “Maar je moet ze niet voor de klas zetten.”
“Nee, inderdaad. En de bijzondere scholen voor godsdienstonderwijs hebben hun langste tijd wel gehad. De overheid moet de verspreiding van waandenkbeelden juist tegengaan. Verbieden is echter zinloos. Je kunt ook een psychiatrisch patiënt niet verbieden om gestoord te zijn. Iedereen heeft recht op zijn eigen geestelijke afwijking.”
Herman: “Maar het gaat me te ver om met overheidsgeld instituten in stand te houden die mensen opleiden tot verspreiders van irrationele denkbeelden afkomstig uit zeer oude boeken.”
“Hebben de machthebbers er misschien belang bij dat de bevolking blijft geloven in deze zeer oude boeken?”
Herman staat traag op en gaat op de rand van het zwembad staan, maar voor hij erin duikt draait hij zich nog even om en zegt:
“Domme vraag!”
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten